Els van Duijn-Reerink (1924) woont samen met haar bejaarde hondje Joep, lapjeskat Poekie, kanarie Amadeus en een bende parkietjes en zebravinkjes in een woongroep in Oegstgeest. Zes kinderen, veertien kleinkinderen en drie achterkleinkinderen heeft ze in haar leven. Toch voelt ze zich vaak eenzaam. Dat komt, zegt ze zelf, doordat ze afhankelijk is geworden van anderen. Elke keer valt er iets weg. De auto heeft ze weggedaan. Plantjes halen voor de tuin kan niet meer. Haar man is dood, net als veel van haar vrienden. Altijd is ze zelfstandig geweest. Op 9-jarige leeftijd belandde ze in een weeshuis. Na de oorlog liep ze samen met de andere pupillen van het weeshuis van Arnhem naar Nijverdal om werk te zoeken – het station was platgebombardeerd en treinen reden er niet. En nu zou ze anderen om hulp moeten vragen? Vreselijk vindt ze het. Ze is gedecideerd: als er een laatstewilpil zou zijn, zou ze die direct innemen.

Bent u veel bezig met de dood?
‘Ja. Maar het is moeilijk, want mijn kinderen praten er liever niet over. Ik heb net twee boeken gelezen. De eerste is Uitweg van Boudewijn Chabot en Stella Braam. De tweede heet Mijn moeder wilde dood van Annegreet van Bergen. Heel interessant. Mijn man is zeven jaar geleden overleden. Hij had Parkinson, dementie en nog van alles erbij. Hij had een vreselijke angst voor de dood. Het was een intellectuele man: hij was hoogleraar histo- en cytochemie in Leiden. Dat hij zo bang was, komt denk ik doordat hij nogal christelijk is opgevoed. Op het laatst raakte hij psychotisch door die angst om dood te gaan. Hij moest toen opgenomen worden. Uiteindelijk is hij heel rustig gestorven.’

Ze wijst naar een lijst aan de muur. Het is een gedicht van Remco Campert, dat in inktblauw garen is geborduurd op een wit doek.

Als ik dood ga
Hoop ik dat je erbij bent
Dat ik je aankijk
Dat je mij aankijkt
Dat ik je hand voel
Dan zal ik rustig doodgaan
Dan hoeft niemand verdrietig te zijn
Dan ben ik gelukkig.

‘Dat heb ik twintig jaar geleden al voor hem gemaakt. ‘Wil je het zo doen?’, vroeg hij me. ‘Zo wil ik het.’ Op zijn sterfbed kneep hij mijn hand samen. Nu is het tijd, betekende dat. Dat hadden we samen afgesproken. Als hij in mijn hand zou knijpen, zou het goed zijn. Dus toen hij dat deed, betekende dat dat hij klaar was, dat hij rustig was.’

Bent u zelf bang om dood te gaan?
‘Helemaal niet. Als meisje van negen zag ik mijn moeder sterven. Ze was heel erg ziek, ze had tbc. Ik was erbij toen ze overleed. Ze sliep zo rustig in. En vlak ervoor heeft ze me nog wat levenslessen verteld. Ze was zo’n wijze vrouw. Echt geweldig. Later bleek dat ik nog twee halfzussen had. Mijn moeder had een heel rijke man getrouwd, maar ze was ondeugend geweest: ze was met een andere man naar bed gegaan. Een van die zussen heb ik pas een paar jaar geleden ontmoet, toen mijn zoon onze stamboom had uitgeplozen. De andere was net overleden, op haar 94e. Het was heel bijzonder om mijn halfzus te ontmoeten. Het was alsof ik mijn moeder hoorde praten.’

Els van Duijn vertelt monter over haar ‘rare leven’, zoals ze het zelf noemt. Nadat haar moeder was overleden, kwam ze in een weeshuis in Arnhem terecht – haar vader was weggelopen. Haar leven klinkt als een spannende meisjesroman van vroeger. Ze vertelt hoe ze na de oorlog samen met de andere wezen naar Nijverdal liep om in de huishouding te gaan werken maar al snel ontslagen werd: ’18 kamers moesten we schoonmaken, maar ik had er helemaal geen zin in om wc’s van een ander te soppen.’ Eigenwijs is ze altijd geweest, zegt ze. Na haar kortstondige carrière als huishoudhulp toog ze naar Zutphen, waar ze verpleegkundige werd in de psychiatrie. Een heerlijke tijd was het: ‘Ik kon goed met ongelukkige mensen omgaan.’ Soms moest ze ook een robbertje vechten met de patiënten, als ze psychotisch waren. ‘Dat vond ik helemaal niet erg. Ik was nergens bang voor.’ Ze werkte ook nog een tijd in Amsterdam, in de Valeriuskliniek. ‘Bleek dat ik daar óók weer po’s moest gaan schoonmaken. In Amsterdam werd ik opnieuw ontslagen. Ze mochten mij daar niet: ik kreeg de schuld van een gebroken bord in de stortkoker. Dat had ik gedaan, zeiden ze. Later hebben ze nog hun excuus aangeboden, maar wat koop je daar nou voor?’ Vervolgens trouwde ze, op haar 23e. Een vrouw van een wetenschapper was ze niet, vindt ze zelf. ‘Ik was altijd nogal praktisch ingesteld en had er een hekel aan om me netjes op te doffen voor feestjes.’ Ze grinnikt vol zelfspot, deze Els van 91.

Hoe vindt u het om oud te zijn?
‘Vreselijk.’

Wanneer is dat gevoel begonnen?
‘Het heeft niets met het overlijden van mijn man te maken. Nee, het begon vooral vanaf het moment dat ik de auto moest wegdoen, vorig jaar. Ik kan niet afhankelijk zijn van anderen. En nu moet ik het zijn. Boodschappen kan ik niet meer zelf doen. Lopen wordt steeds meer een rampenfonds. Ik doe het nog omdat ik een hond heb. Die komt elke morgen om zes uur bij mijn bed kijken of ik er nog ben. En ik zeg dit één keer: ik heb permanent pijn, van mijn tenen tot aan mijn hoofd. In mijn ene knie heb ik een prothese, het andere been wordt steeds krommer.’

Krijgt u medicijnen tegen de pijn?
‘Ik slik plaspillen en bloedverdunners, verder niks. Ja, paracetamol. Wat moet je anders? Meer pillen wil ik niet. Ze willen ook dat ik pillen ga slikken voor mijn maag. Maar ik heb nooit last van mijn maag!’

Dat is vanwege de bloedverdunners. Dan heeft u maagbeschermers nodig, vanwege een hogere kans op bloedingen.
‘Nou, ik heb nooit last van mijn maag. En bloedingen heb ik toch al. Kijk maar, mijn oog is helemaal bloeddoorlopen.’

Ik zie het. Moet de dokter daar niet even naar kijken? Er zit veel bloed in uw oog.
‘Wat kan die eraan doen? Niks. En ik heb er geen last van. En zolang ik er geen last van heb, wil ik het niet. Dat is ook eigenwijzigheid, dat weet ik wel. En wat een ander doet, moet ‘ie zelf weten. Maar ik vind het een raar leven zo. En waarom ze dat leven zo lang moeten rekken, is een voor mij volkomen duistere zaak.’

Ze vertelt over haar vroegere leven, toen ze alles nog leuk vond. Over het huisje dat ze samen met haar man had in Beekbergen, in het bos op de Veluwe. Over de ‘zalige honden’ die ze toen hadden, waaronder een Drentse Patrijs. De ‘wandeleend’ die in huis rondliep. De zes kinderen die er kwamen.

Het was een druk bestaan met een groot gezin. En er was altijd werk aan de winkel. ‘Mijn man was niet erg handig, dus ik deed alles zelf. Ik heb het hele huis geschilderd. Lange tijd had ik geen wasmachine. Maar met zes kinderen werd dat te lastig. Van de zegeltjes van de Albert Heijn heb ik uiteindelijk een wasmachine gekocht. Fantastisch vond ik dat.’
Het verkopen van het huisje in Beekbergen noemt Els van Duijn ‘het begin van het einde’. ‘Mijn man werd natuurlijk ook steeds zieker. Het ging steeds slechter. En nu is het niks meer. Vroeger hadden we ook gesprekskringen. We voerden tien jaar lang gesprekken over van alles en nog wat. Die gesprekskringen bestaan nu ook niet meer. Ik woon hier in een woongroep, maar daar merk ik weinig van. Als ik iemand vraag boodschappen te halen, zeggen ze: ‘als ik eraan denk’. Schrijf het dan op, denk ik dan.’

Waar bestaat het lijden voor u uit?
‘Dat ik mijn zelfstandigheid moet inleveren. Dat vind ik het aller-, allerergste. En die eeuwige pijn. Of ik nog zelf kook? Ik hoef niet zelf te koken. Mijn kinderen doen dat allemaal voor me, die komen dan langs met bakjes. Ik krijg vaak bezoek, dat wel. Vanavond ook weer. Maar de weekenden zijn een ramp. Ik ben een groepsmens.’

Ze kijkt even voor zich uit, zegt dan: ‘De meeste mensen staan er niet bij stil hoe erg het is als je drie dagen niemand spreekt. Soms laat ik de hond uit en dan kom ik niemand tegen om mee te praten. Nou, dat is jammer, denk ik dan als ik weer thuis ben. Maar ja, om nou onder een bus te gaan liggen…’

Zou een woonzorgcentrum een oplossing voor u zijn?
‘Nee! Dan ga ik dood. In een verpleeghuis komt nooit iemand op bezoek. En daar heb je ook niet veel aanspraak, hoor. Die mensen zijn moeilijk los te branden uit hun kamer. Nee, ik heb niks meer, ik kan niks meer en ik wil niks meer.’

En als uw kinderen elke dag op bezoek zouden komen?
‘Dan zou ik zeggen: wat gezellig. Maar dat gebeurt niet. Ze zijn nu plannen aan het maken voor de vakantie. Ik heb tegen ze gezegd: ik weet niet of ik het haal hoor. Ik heb er helemaal geen zin meer in. Ik geniet nog wel met volle teugen van mijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. En ik kan gelukkig nog goed lezen. Maar als ik dement zou worden, ja, dan zou ik misschien wel onder een bus gaan liggen.’

Ze moet er zelf om lachen, als ze het zegt. Haar schouders bewegen volop mee. Weer die zelfspot: ‘Ik heb een bril op, maar die heb ik eigenlijk helemaal niet meer nodig. Er zit alleen glas in. Doe die bril toch af, zeggen mensen wel eens. Maar dan zeg ik: nee, dat wil ik niet! Dan word ik nog lelijker.’

U bent helemaal niet lelijk.
‘Ach, jawel. Die aftakeling, dat is vreselijk. Waarom moet dat zo lang duren? Het duurt veel te lang. Mijn kinderen willen dat niet horen, maar het is zo.” Schamperend: “Ik kan ook niet ophouden met eten en drinken. Dan gaan ze me gewoon voeren.’

Wat zou voor u de druppel zijn die de emmer doet overlopen?
‘Als ik morgen wakker zou worden en dement zou zijn. Of dat ik niet uit bed kan komen en overal mee geholpen zou moeten worden. Ik heb daar al met mijn huisarts over gepraat. Zij weet dat ik een euthanasieformulier heb van de NVVE en dat ik mijn leven voltooid acht. We praten er binnenkort weer over.’

Bent u voor een laatstewilpil?
‘Ja. Die zou ik zo nemen. Direct. In de boeken die ik gelezen heb over zelfbeschikking staan ook andere manieren. Bijvoorbeeld die methode met helium. Dat vind ik naar, zo’n zak over je hoofd. Het is ook zo onesthetisch. Nee, dan liever rustig inslapen. Ik hoop echt dat dat kan.’

Kader:
Els van Duijn woont alleen in Oegstgeest. Haar man overleed zeven jaar geleden. Hij leed onder meer aan de ziekte van Parkinson. Els van Duijn heeft zes kinderen, veertien kleinkinderen en drie achterkleinkinderen.

Dit interview schreef ik in opdracht van de NVVE voor de website www.voltooidleven.nl. Op deze website komen zes mensen aan het woord die lijden aan een voltooid leven. Foto: Anne Meyer Fotografie.

Lees ook het verhaal van Jan Hoogerwerff: ‘Er is niets dat mij aan het leven bindt’
Lees ook het verhaal van Bert Poot: ‘Wat ondraaglijk lijden is, bepaal je zelf’