De bovenwoning van Jan Hoogewerff (1924) kijkt uit op een hip terras waar ‘creatief en ondernemend Delft’ samenkomt en waar, volgens de website van het etablissement, ‘nieuwe ideeën worden geboren’. Brengers van vernieuwing worden ze genoemd, die met ‘een frisse blik’ en ‘nieuwsgierigheid naar het onbekende’ verbindingen leggen voor de toekomst. Vanachter het raam zien we ze op het terras zitten, lachend, hun glas heffend. Het is een schril contrast met het leven van de gebogen, langzaam schuifelende man die in het pand ernaast zijn dagen slijt. Voor hem ligt er niets nieuws meer in het verschiet. De dagen zijn lang. Hij brengt ze door in zijn streepjespyjama en ochtendjas. Buiten komt hij toch nauwelijks meer. Bezoek krijgt hij bijna nooit. In de boekenkast staat een tekening. Nee, geen kleinkinderen. Die is van de zevenjarige zoon van de thuishulp.

U wordt binnenkort 92 jaar. Veel mensen zouden zeggen: dat is een mooie leeftijd.
‘Ik kan niet zeggen dat ik het prettig vind. Ik vind dat ik akelig oud ben geworden. Er is niets dat mij aan het leven bindt. Dat was vroeger al zo en nu is er nog niets dat mij aan het leven bindt.’

Bent u bang voor de dood?
‘Dat ben ik nooit geweest. Als ik dood ga is het afgelopen, klaar. Mijn moeder stierf een half jaar na mijn geboorte aan tyfus. Als kind dacht ik altijd: dat kan je dus gewoon overkomen, dat je doodgaat. Dat was een gegeven. Ik ben geboren in Bandung, Java. Mijn vader zat in de houthandel en had daarvoor al in Hamburg en Constantinopel gewoond. Hij ontmoette een andere vrouw en trouwde met haar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zaten we in een interneringskamp van de Japanners. We zijn daar altijd goed behandeld, maar op het laatst was het voedsel schaars. Als ik dood ga, ga ik dood, dacht ik toen.’

Maar dat gebeurde niet.
‘Nee. Aan het einde van de oorlog gingen mijn vader en stiefmoeder met zwaar hongeroedeem op een hospitaalschip naar Nederland. Ik mocht ook mee op dat schip, als corveeër. Ik mocht alleen in de keuken komen, nooit bovendeks. En ik moest verplicht slapen bij de Javaanse bedienden. Ik had ook een broer die al eerder naar Nederland was gegaan om chemie te gaan studeren, hier in Delft. Hij werd gefusilleerd door de Duitsers. Het was een represaillemaatregel na een aanslag op Hanns Albin Rauter, hoofd van alle SS-afdelingen en de hoogste politiechef. Om een daad te stellen, werden in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog honderd mensen opgepakt. Zij werden in Rozenoord, langs de Amsteldijk in Amsterdam, doodgeschoten.’

Hoe was dat voor u, dat uw broer werd vermoord?
‘Ik heb nooit goed met mijn broer kunnen opschieten. Hij was nooit aardig tegen me. Ik denk dat hij mij de dood van onze moeder verweet, omdat zij zo kort na mijn geboorte is overleden.’

Was er wel een band met uw stiefmoeder?
‘Mijn stiefmoeder en ik konden ook niet met elkaar overweg. Let wel, ze heeft me altijd uitstekend verzorgd als ik ziek was. Daar zeg ik geen kwaad woord over. Maar ze was een moeilijk mens, met wie ik vreselijk overhoop heb gelegen. Ik denk dat ik door haar zo verlegen, stil en gesloten ben geworden. Daarvoor, zo is me verteld, was ik een open en vrolijk jongetje.’

Bent u ooit getrouwd geweest?
‘Nee.’

Hoe komt dat?
(Het duurt even voor er antwoord komt, starend in de verte.) ‘Door die verlegenheid, denk ik. Ik heb nooit een brede vriendenkring gehad. Mijn oudste halfbroertje is eind vorig jaar overleden. Mijn jongste halfbroertje leeft nog, die is 80. Met hem heb ik een enkele keer telefonisch contact. Alleen mijn schoonzus komt nog wel eens langs. Nooit heb ik een brede vriendenkring gehad. Ik heb me in het leven altijd een buitenbeentje gevoeld. Dat was vroeger al zo, toen ik in Nederland kwam en in Delft werktuigbouwkunde ging studeren. Ik kreeg nooit aansluiting met andere studenten. Er werd mij vrij duidelijk aan het verstand gebracht dat ik er niet bij hoorde. Misschien ook omdat ik geen feestneus ben. Ik houd niet van bier. Ook niet van mousserende limonade, trouwens. Roken heb ik nooit gedaan. Misschien heeft dat wel geholpen om 92 te worden. Voor dingen die het leven kunnen bekorten, had ik kennelijk een natuurlijke afweer.’

Hij lacht nu, geluidloos, maar vol overgave, zijn bijna tandeloze mond wijd opengesperd.

‘Ik ben ook niet mobiel, want ik heb nooit mijn rijbewijs gehaald. Vroeger had ik altijd het idee dat als ik auto zou gaan rijden, dat ik dan een ongeluk op de weg zou zijn. Dat ik me niet goed zou kunnen concentreren op de weg. Ik ben nogal teerhartig en ik zou vreselijk last krijgen van mijn geweten als ik ooit iemand zou doodrijden. Andere mensen hebben dat altijd overdreven gevonden, dat ik daarom geen rijbewijs wilde halen. Maar ik wilde dat risico niet nemen. U schrijft toch niet op dat ik zo excentriek ben?’

Hield u vroeger van uw werk?
‘Als student ben ik gesjeesd: ik miste de concentratie om regelmatig te studeren. Ik heb jarenlang bij Shell gewerkt. Daar maakte ik samenvattingen van Engelse en Amerikaanse octrooischriften. Het was niet bijzonder leuk om te doen. Ik heb dat tientallen jaren gedaan tot mijn pensioen. Op den duur werd het nogal vervelend. Het was steeds hetzelfde. Maar het was wel een bedrijf dat een vrij royale uitkering uitkeerde aan mensen die in een interneringskamp hadden gezeten. Tot mijn stomme verbazing, want daar had ik nooit op gerekend. Dat was netjes, ja. Er zijn mensen die de Japanse interneringskampen vergeleken met Auschwitz. Onzin. Laat u zich door niemand wijsmaken dat dat zo was. Dat was niet te vergelijken. We leden honger, maar vergeet niet: buiten de kampen leden de mensen ook honger. Wij hadden het niet slechter dan de Indonesiërs zelf.’

Wat zijn de dingen waar u vroeger van kon genieten?
‘Ik heb veel gereisd, op een heel sobere manier. Aan luxueuze reizen had ik geen behoefte. Een van mijn favoriete landen was Italië. Wat een prettig land, dacht ik toen ik daar voor het eerst kwam. Het land vond ik zo mooi. Vriendelijke mensen ook, lekker eten – hoewel ik niet van pasta houd en eigenlijk ook niet van pizza. Nu kan ik dat allemaal niet meer. Al die boeken die in de boekenkast staan: ik lees ze niet meer. Ik kan het niet meer volhouden. Van televisie kijken houd ik niet.’

Hoe brengt u uw dagen nu dan door?
‘Ik zit ze uit.’

Heeft u ooit met uw huisarts gesproken over uw wens niet verder te willen leven?     
‘Ja, zo’n dertig jaar geleden. Ik had toen een euthanasieverklaring ingevuld. Hij zei: daar bent u nog helemaal niet aan toe.’

U was toen begin zestig. 
‘Ik heb het leven nooit erg leuk gevonden. Het is ook niet zo dat ik acuut dood wilde. Maar ik dacht: ik vul het alvast in, met het oog op de toekomst.’

Heeft u daarna nog over het onderwerp gesproken?
‘Toen die huisarts van dertig jaar geleden ermee stopte, verkocht hij zijn praktijk aan een jongere arts. Daar ben ik één keer op bezoek geweest. Ik kwam daar met een vrij onbelangrijk iets. De eerste woorden die hij tot mij sprak – en die werden bars uitgesproken, maar misschien heb ik dat niet goed geïnterpreteerd – waren: ‘Ik doe niet aan euthanasie.’ Terwijl ik daar nog geen woord over had gezegd. Ik heb toen een andere huisarts gezocht, want ik dacht: met zo’n man kan ik niet praten. Mijn huidige huisarts is over de zestig en gaat binnen afzienbare tijd met pensioen. Met hem heeft het dus ook geen zin om erover te praten: hij stopt er toch binnenkort mee. Hij is geassocieerd met een jonge huisarts, een vrouw van nog geen dertig. Met haar durf ik er niet over te praten. Ik vind dat een beetje moeilijk, omdat ze nog zo jong is. Ze heeft ook net een kindje gekregen.’

Voelt u zich depressief?
‘Nee. Ik ben niet depressief. Ik wil ook niet zeggen dat ik lijd. Chronische ziektes heb ik niet. Ik heb alleen niks om voor te leven. Kijk, die euthanasie ga ik niet krijgen. Want er is geen enkele manier dat ik hard kan maken dat ik ondraaglijk lijd. Maar voor mij is het wél klaar.’

Is er nog iets waar u nog van kunt genieten?
‘Ik luister nog wel eens naar muziek. Geen dansmuziek hoor, want ik ben a-ritmisch. Dat kunt u misschien aan mijn stem horen. Ik praat a-ritmisch. Vroeger zei iemand dat ik stotterde, maar dat is volgens mij niet zo. Vindt u dat ik stotter? Ik houd van klassieke muziek. En opera, daar houd ik ook van. Maar die muziek luister ik niet om het leven acceptabeler te maken. Ik luister ernaar om het leven te bekorten.’

Om de tijd te doden.
‘Ja.’

Wat zou u het allerliefste willen?
‘Dat ik ga slapen en niet meer wakker word. Ik ben niet moedig genoeg om van een flat af te springen. En voor een trein springen, dat wil ik ook niet. Dat kun je zo’n machinist niet aandoen. En zo erg is het ook nog niet. Maar er zou wel een laatstewilpil moeten zijn. Ik ben al heel lang een voorstander van zelfbeschikking. Maar voor mij is er geen oplossing. Ik moet het maar uitzitten.’

Kader:
Jan Hoogewerff woont alleen in Delft. Hij werkte lange tijd bij Shell, waar hij samenvattingen maakte van Engelse en Amerikaanse octrooien. Hij is nooit getrouwd geweest en heeft geen kinderen.

Dit interview schreef ik in opdracht van de NVVE voor de website www.voltooidleven.nl. Op deze website komen zes mensen aan het woord die lijden aan een voltooid leven. Foto: Anne Meyer Fotografie.

Lees ook het verhaal van Els van Duijn-Reerink: ‘Je zelfstandigheid verliezen is vreselijk’
Lees ook het verhaal van Bert Poot: ‘Wat ondraaglijk lijden is, bepaal je zelf’