Al tientallen jaren worden rashonden in Nederland actief gescreend op heupdysplasie (HD). Toch blijft de aandoening een veelvoorkomende diagnose in de spreekkamer. Björn Meij, hoogleraar en Europees specialist chirurgie gezelschapsdieren aan Universiteit Utrecht, boekt baanbrekende resultaten met de 3D-geprinte heupkom die hij implanteert, maar blijft kritisch: ‘Screenen heeft pas zin als we er ook echt naar handelen. Voorkomen is zoveel beter dan opereren.’
Het begon niet in de dierenkliniek, maar in het ziekenhuis. Orthopedisch chirurgen van het Universitair Medisch Centrum Utrecht zochten een alternatief voor de invasieve ingrepen bij jonge mensen met heupdysplasie. Een van die ingrijpende operaties is een bekkenkanteling – de Triple Pelvic Osteomy of TPO – waarbij het bekken op drie plekken wordt doorgezaagd. Daarmee kunnen chirurgen de femurkop kantelen, waardoor die beter in het acetabulum past. In 2016 klopten ze aan bij Björn Meij, hoogleraar chirurgie voor gezelschapsdieren aan de faculteit diergeneeskunde, met de vraag: kende hij een diermodel met dezelfde aandoening? ‘Die zie ik wekelijks’, antwoordde Meij: ‘Dat is de hond.’
Het UMC Utrecht had op dat moment al ervaring opgedaan met 3D-geprinte schedelimplantaten, om gaten in de schedel te dichten die ontstaan bij hersenoperaties of om voorhoofdsvervormingen te verhelpen. Maar een 3D-geprinte heupkom was andere koek. Waar een schedelimplantaat vooral een holte moest opvullen, moest een heupimplantaat niet alleen perfect passen, maar ook jarenlang zware, bewegende belasting doorstaan. Daarmee begon een zoektocht naar een gepersonaliseerde oplossing die het heupkommetje zou verdiepen, zodat de heupkop stevig op zijn plaats blijft.
Wereldprimeur
Charlie, een negen maanden jonge Labrador retriever, was de eerste kandidaat voor een 3DHIP. Meij herinnert zich het nog goed. Het was in 2019. Twintig jaar lang had hij bekkenkantelingen uitgevoerd bij honden met heupdysplasie. Hij kende de pijn van de hond na de operatie, het lange revalidatietraject, de weken waarin dieren weer voorzichtig opkrabbelden en de complicaties.
Deze behandeling met 3DHIP in de Utrechtse universiteitskliniek betekende een wereldprimeur. ‘We begonnen met één heup, want we dachten: voorzichtigheid troef. Maar na zeven of acht honden zagen we hoe snel ze herstelden. Het was een wereld van verschil in vergelijking met de bekkenkanteling. Binnen zes uur na de operatie stonden ze weer op hun poten.’
Al snel besloot Meij de ingreep standaard aan beide heupen tegelijk uit te voeren, zodat de hond maar één keer onder narcose hoeft en dus ook maar eenmaal hoeft te revalideren. De resultaten waren zo overtuigend dat de Universiteitskliniek de operatie inmiddels als standaardbehandeling aanbiedt. ‘Honden met soms zware HD lopen direct na de operatie en gaan de volgende dag naar huis. De eigenaren moeten hun hond in het begin zelfs een beetje afremmen, omdat ze alweer zo goed lopen dat ze eigenlijk te veel willen doen.’
Een ander voordeel: de ingreep is een stuk goedkoper dan bijvoorbeeld een totale heupprothese. Waar een kunstheup tussen de zeven- en achtduizend euro kost per kant, ligt de prijs voor een 3DHIP op drie- tot vierduizend euro. ‘Twee 3D-heupen voor de prijs van één kunstheup’, merkt Meij droogjes op. Dat prijsverschil zit ’m vooral in het implantaat zelf: één titanium onderdeel van zo’n 750 euro, tegenover vier onderdelen bij een prothese, die samen al rond de 2.500 euro kosten.
Prevalentie blijft hoog
Allemaal prachtig, zulke technologische innovaties, maar ook Meij zou liever zien dat minder dieren überhaupt zo’n operatie nodig hebben. De prevalentie van HD is nog altijd aanzienlijk. Studies noemen algemene percentages van vijftien procent voor alle hondenrassen, maar internationale data van de Orthopedic Foundation for Animals (OFA) laten zien dat de aandoening in bepaalde rassen veel vaker voorkomt.
Bij de old English bulldog, mopshond en Engelse en Franse bulldog – voor de laatste drie kortsnuiten geldt in Nederland sinds 2023 een fokverbod – is meer dan zeventig procent van de beoordeelde dieren dysplastisch. Ook bij rassen als de Bordeauxdog, sint-bernhardshond en Napolitaanse mastiff ligt het percentage boven de 45 procent. [1] In Nederland zijn de Labrador retriever, de golden retriever en de Duitse herdershond de populairste hondenrassen. Volgens de laatste data komt HD voor bij 11,4 procent van de Labrador retrievers, bij 19,4 procent van de golden retrievers en 20,5 procent van de Duitse herders. Omdat de OFA-data gebaseerd zijn op vrijwillige inzendingen van röntgenfoto’s, kan de werkelijke prevalentie in de populatie nog hoger liggen.
Recente harde cijfers over de Nederlandse situatie ontbreken. Een Nederlandse prevalentiestudie die wat verder terug gaat (2014) zag HD bij 11,3 procent van de retrievers en bij 16,8 procent van de herdershonden. [2] De conclusie van de onderzoekers, onder wie ook Björn Meij, was niet bemoedigend. Zij schreven dat ‘het gebruik van de screeningsresultaten in fokprogramma’s tot 2010 niet in grote mate is opgepakt’. Met andere woorden: er wordt wel veel gescreend, maar de uitslagen worden lang niet altijd zwaar meegewogen bij de keuze van ouderdieren.
Anno 2025 is daar nauwelijks verbetering in gekomen, zegt Meij nu. Hoewel er in deelpopulaties successen zijn geboekt, blijft HD een taaie tegenstander. ‘Het is ongelofelijk lastig om orthopedische aandoeningen met screening helemaal uit de wereld te helpen,’ legt hij uit. ‘HD is een multifactorieel probleem van het skelet – botten en bindweefsel – waarbij meerdere genen én omgevingsfactoren betrokken zijn. Het is dus niet één gen waarop je kunt testen. Daardoor kan een hond die op de röntgenfoto vrij is van HD, op papier dus, toch erfelijk materiaal doorgeven dat in de volgende generatie opnieuw HD veroorzaakt.’
Sedatieplicht
Het beeld wordt verder vertroebeld doordat lang niet alle honden worden gescreend, bijvoorbeeld kruisingen of importhonden. ‘De populatie die voor screening wordt aangeboden is selectief’, zegt de hoogleraar. ‘Bovendien kan een eigenaar op basis van een eerste röntgenfoto besluiten die niet naar de Raad van Beheer te sturen als er ernstige HD zichtbaar is. Dat noemen we ‘voorröntgenen’. Zo’n hond belandt niet in het databestand. Daardoor houden ouderdieren – en soms zelfs de hond zelf – hun plek in de fokkerij en verspreiden ze de aanleg verder.’
En: omdat er geen landelijke plicht bestaat en sommige rasverenigingen mildere regels hanteren of zich opsplitsen, blijft het probleem bestaan. ‘In de ideale wereld is er één rasvereniging per ras die verplicht dat alle honden waarmee gefokt wordt, gescreend zijn én dat de uitslag voor iedereen bekend is. Maar dat is niet de wereld waarin we leven. Ook daardoor is verder terugdringen van heupdysplasie heel lastig.’
Daar komt nog bij dat de beoordeling van röntgenfoto’s zelf beperkingen kent. De traditionele FCI- en OFA-scores zijn gebaseerd op een inschatting van de heupcongruentie en de Norberghoek. Die beoordeling kan worden beïnvloed door zaken als de exacte positionering van de hond en verschillen tussen beoordelaars. Onderzoek laat zien dat sedatie, positie van de benen en de mate van rotatie de Norberghoek tot 50 procent kunnen beïnvloeden. [3]
Bovendien gebruiken veel fokprogramma’s nog steeds alleen de traditionele ventrodorsale heupextensie, terwijl laxiteittesten zoals PennHIP of distractie met de Vezzoni Modified Badertscher Distension Device (VMBDD) de aanleg voor artrose beter blijken te voorspellen. [4] In de Utrechtse Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren behoort de VMBDD dan ook tot het standaardapparaat om instabiliteit op te sporen.
En dan is er nog een heikel punt: de sedatieplicht. De FCI, de overkoepelende Europese kynologische organisatie, besloot in 2022 dat officiële HD-röntgenfoto’s uitsluitend onder sedatie mogen worden gemaakt – een verplichting die ook voor aangesloten Nederlandse rasverenigingen geldt.
Maar drie jaar later wordt er juist in ons land volop met die verplichting gesjoemeld. Dat vindt Meij problematisch: ‘Bij een wakkere hond kunnen de heupgewrichten zich wat meer aanspannen. Het risico is dat je laxiteit van de heupen niet in beeld krijgt, ook omdat er maar één enkele röntgenfoto wordt gemaakt.’ Zijn oproep is kristalhelder: ‘Ik sta er vrij strak in: pas sedatie toe bij alle honden die gescreend worden voor HD. Daar moet gewoon een hamerslag op komen, want het scheelt enorm in de kwaliteit van de opnamen.’
Mazen in de regels
Het gebrek aan eenduidige uitvoering past in een breder patroon van mazen in de regels. In maart 2025 meldde het televisieprogramma Zembla dat in de fokreglementen van minstens 25 rasverenigingen nog altijd ruimte is om te fokken met honden met erfelijke aandoeningen, waaronder milde vormen van HD. [6] Dat is in strijd met de Wet Dieren, zo luidde de conclusie, omdat de wet verbiedt met honden te fokken op een manier die schadelijk is voor de gezondheid of het welzijn van de ouderdieren of de nakomelingen.
De NVWA noemde de bevindingen van Zembla ‘zeer ernstig’ en kondigde optreden aan. In reactie daarop stelde de Raad van Beheer dat de Wet Dieren leidend is, maar dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid bij de fokker ligt: ‘De Raad van Beheer heeft geen toezichthoudende of handhavende rol. De verantwoordelijkheid voor het naleven van de Wet Dieren ligt bij de NVWA.’ [7]
Dat Nederland achterblijft, komt volgens Meij doordat het onderwerp ‘uitermate gevoelig’ ligt binnen de kynologie: veel fokkers beschouwen sedatie als onnodig en risicovol. ‘Voor ons als dierenartsen weegt de gezondheid van de hondenpopulatie zwaarder dan het zeer geringe narcoserisico voor één dier. Maar dat valt bij sommige fokkers niet in goede aarde.’
Hoe hoog de emoties oplopen over deze en andere discussiepunten binnen de hondenfokkerij, bleek eind juli: toen trad op één lid na het voltallige bestuur van de Raad van Beheer af. Officieel om ‘persoonlijke redenen’, maar het illustreert hoe beladen de discussie is over strengere en uniformere regels. Meij wijst erop dat het niet overal zo gaat. ‘In landen als het Verenigd Koninkrijk speelt die discussie niet eens: vanwege stralingsveiligheid moeten alle aanwezigen de röntgenruimte verlaten. Dierenartsen sederen de hond daarom altijd, positioneren hem met zandzakjes in een stabiele houding onder het apparaat en maken vervolgens de opname.’
Zelfs als de röntgenopnamen onder optimale omstandigheden zijn gemaakt, blijft de interpretatie aanleiding geven tot discussie tussen dierenartsen en fokkers. In de diergeneeskunde is de HD-C-score onmiskenbaar: dat is heupdysplasie. ‘Met een C, D of E-heup moet je simpelweg niet fokken’, zegt Meij. ‘Een A-heup is de perfecte heup, maar ook een B-heup is een prachtige heup – met wat kleine aanmerkingen, weliswaar. Maar een C-heup is dysplastisch, punt.’
Toch zien sommige rasverenigingen C-heupen als een soort overgangscategorie. Ze staan kruisingen toe tussen een hond met een C-heup en een ‘vrij’ beoordeelde hond. Daarmee is volgens Meij het risico evident: ‘Je weet dat de aanleg in de populatie blijft circuleren.’
‘Registreer alle HD-heupen’
Dierenartsen spelen hierin een sleutelrol, benadrukt Meij. Niet alleen bij het beoordelen van röntgenbeelden en het adviseren over fokgeschiktheid, maar ook bij het vastleggen van álle gevallen van HD. ‘Juist de honden met ernstige HD vallen regelmatig buiten de registratie: er volgt een operatie of andere behandeling en de eigenaar krijgt het advies niet met de hond te fokken. Terecht, maar dat zorgt er ook voor dat de gegevens van de hond niet in het datastand komen.’
Zijn oproep aan dierenartsen is helder: registreer elke hond via PET-scan, ongeacht ras of herkomst, ‘of het nu een rashond is of een straathond uit Roemenië. ‘Dan krijgen we pas echt grip op de omvang van het probleem, cruciaal om de preventie te verbeteren en om gerichter fokadviezen te kunnen geven.’
Het Expertisecentrum Genetica die PET-scan beheert speelt hierbij een cruciale rol, zegt Meij. Met een glimlach waarschuwt de hoogleraar alvast voor de reacties die hij zal krijgen. ‘Ik weet dat mijn collega’s van het expertisecentrum morgen op de stoep staan als ik dit zeg’, grapt hij, ‘maar het centrum richt zich nu vooral op enkelvoudige genetische afwijkingen, omdat die relatief eenvoudig zijn op te sporen en in te dammen. Ik hoop dat er ook meer aandacht komt voor orthopedische aandoeningen zoals HD. Juist dáár valt met gerichte registratie veel winst te behalen.’
Die gegevens zouden bovendien ook de humane geneeskunde vooruit kunnen helpen, beaamt hij: heupdysplasie is bij mens en dier dezelfde aandoening. En dan, bijna terloops, tovert de hoogleraar een primeur uit de hoge hoed: ‘Nog dit jaar krijgt de eerste mens een 3DHIP, mede mogelijk gemaakt door ervaringen uit de diergeneeskunde.’
Katten en heupdysplasie:
vaak onopgemerkt
Feline hip dysplasia (FHD) komt relatief vaak voor bij grote raskatten zoals de Maine Coone en Siberische kat. In een Tsjechisch onderzoek werd bij 46,7 % van de onderzochte stamboomkatten FHD vastgesteld, meestal in milde tot matige vorm. [8] Omdat katten pijn en kreupelheid goed kunnen maskeren, merken eigenaren vaak niets. Pas op latere leeftijd ontwikkelen sommige katten duidelijke klachten door artrose. Een tweede studie bij Maine Coons rapporteerde een FHD‑prevalentie van 37,4 procent. Fokselectie verminderde de ernst en leidde tot een kleiner postuur van het ras. [9]
Volgens hoogleraar Björn Meij is er geen bewijs dat FHD bij katten toeneemt, maar wordt het vaker herkend. Dat komt door betere pijnherkenning, meer onderzoek en vaker röntgenonderzoek, waarbij FHD soms als toevalsbevinding opduikt. Niet-chirurgische behandeling, zoals gewichtsreductie, aanpassing van de leefomgeving en pijnstilling, volstaat meestal. Chirurgie voor ernstige, symptomatische gevallen bestond tot voor kort enkel uit het verwijderen van de heupkop, een drastische maatregel. Inmiddels zijn er voor katten andere opties. Het 3DHIP implantaat wordt op maat gemaakt en kan dus ook voor de jonge kat met HD worden ingezet. Ook is al enkele jaren een mini-heupprothese op de markt, speciaal ontwikkeld voor de kat en kleine honden met artrose.
Noten:
1 2024 ISFM and AAFP consensus guidelines on the long-term use of NSAIDs in cats. Taylor, Margaret Gruen, Kate KuKanich, B Duncan X Lascelles, Beatriz P Monteiro, Llibertat Real Sampietro, Sheilah Robertson, and Paulo V Steagall. Journal of Feline Medicine and Surgery 2024 26:4.
2 Gowan RA, Baral RM, Lingard AE, Catt MJ, Stansen W, Johnston L, Malik R. A retrospective analysis of the effects of meloxicam on the longevity of aged cats with and without overt chronic kidney disease. J Feline Med Surg. 2012
Dec;14(12):876-81. doi: 10.1177/1098612X12454418. Epub 2012 Jul 20. PMID: 22821331; PMCID: PMC11108019.
3 KuKanich K, George C, Roush JK, Sharp S, Farace G, Yerramilli M, Peterson S, Grauer GF. Effects of low-dose meloxicam in cats with chronic kidney disease. J Feline Med Surg. 2021 Feb;23(2):138-148. doi: 10.1177/1098612X20935750. Epub 2020 Jun 29. PMID: 32594827; PMCID: PMC10741344.
4 King JN, Seewald W, Forster S, Friton G, Adrian DE, Lascelles BDX. Clinical safety of robenacoxib in cats with chronic musculoskeletal disease. J Vet Intern Med. 2021 Sep;35(5):2384-2394. doi: 10.1111/jvim.16148. Epub 2021 Jul 1. PMID: 34196973; PMCID: PMC8478032.
Waardeer dit artikel!
Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je me nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.
(Dit artikel verscheen ook in september 2025 in het Tijdschrift voor Diergeneeskunde. Het auteursrecht ligt bij de auteur.)