Is bijgeloof in de sport een psychiatrische aandoening? Soms wel, denkt hoogleraar psychiatrie Damiaan Denys. Samen met sportpsycholoog Mark Schuls en cultuur- en godsdienstpsycholoog Léon van Gulik analyseert hij repetitieve rituelen voor de wedstrijd. ‘Het kan een verslaving worden.’

Op een ochtend was zeevisser en schrijver Bradford Matsen met zijn partner aan het vissen. Het liedje ‘Lawyers, guns and money’ stond op. ‘We voeren zestig kilometer buiten de kust, in het oosten zagen we Mount Fairview, de zon kwam net op, en het was al met al verpletterend mooi’, schrijft hij in zijn boek Fishing up North: Stories of luck and loss in Alaskan waters. ‘En toen voeren we pardoes een school koningszalmen van zeker vijftien kilo per stuk tegemoet. Ze leken wel exacte kopieën van elkaar. We haalden vis op tot onze armen er zowat afvielen. De week daarna speelden we dat liedje onafgebroken, steeds opnieuw.’
Het voorval staat beschreven in het boek Magisch denken: waarom we zo graag iets geloven van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Matthew Hutson. Het is een voorbeeld van illusoire correlatie, zegt hij. ‘De mens is niet zo goed in het zonder pen en papier berekenen van feitelijke correlaties.’ Stel dat je op sommige dagen een bepaald liedje speelt en een boel vis vangt, en op andere dagen dat liedje niet speelt en geen vis vangt. Geweldig. Maar er zijn ook dagen dat je het liedje wel speelt en niks vangt, en net zo goed dagen dat je het niet speelt en de hoofdprijs binnenhaalt. De feitelijke correlatie, zo schrijft hij, wordt bepaald door de relatieve frequentie van die vier verschillende situaties. ‘Die berekening maken we niet intuïtief. In plaats daarvan richten we ons op een van de vier omstandigheden — de dagen dat het liedje en veel vis samenvallen — en vervolgens overschatten we de frequenties daarvan.’