Is bijgeloof in de sport een psychiatrische aandoening? Soms wel, denkt hoogleraar psychiatrie Damiaan Denys. Samen met sportpsycholoog Mark Schuls en cultuur- en godsdienstpsycholoog Léon van Gulik analyseert hij repetitieve rituelen voor de wedstrijd. ‘Het kan een verslaving worden.’

Op een ochtend was zeevisser en schrijver Bradford Matsen met zijn partner aan het vissen. Het liedje ‘Lawyers, guns and money’ stond op. ‘We voeren zestig kilometer buiten de kust, in het oosten zagen we Mount Fairview, de zon kwam net op, en het was al met al verpletterend mooi’, schrijft hij in zijn boek Fishing up North: Stories of luck and loss in Alaskan waters. ‘En toen voeren we pardoes een school koningszalmen van zeker vijftien kilo per stuk tegemoet. Ze leken wel exacte kopieën van elkaar. We haalden vis op tot onze armen er zowat afvielen. De week daarna speelden we dat liedje onafgebroken, steeds opnieuw.’
Het voorval staat beschreven in het boek Magisch denken: waarom we zo graag iets geloven van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Matthew Hutson. Het is een voorbeeld van illusoire correlatie, zegt hij. ‘De mens is niet zo goed in het zonder pen en papier berekenen van feitelijke correlaties.’ Stel dat je op sommige dagen een bepaald liedje speelt en een boel vis vangt, en op andere dagen dat liedje niet speelt en geen vis vangt. Geweldig. Maar er zijn ook dagen dat je het liedje wel speelt en niks vangt, en net zo goed dagen dat je het niet speelt en de hoofdprijs binnenhaalt. De feitelijke correlatie, zo schrijft hij, wordt bepaald door de relatieve frequentie van die vier verschillende situaties. ‘Die berekening maken we niet intuïtief. In plaats daarvan richten we ons op een van de vier omstandigheden — de dagen dat het liedje en veel vis samenvallen — en vervolgens overschatten we de frequenties daarvan.’

Bijgelovige duiven
Succes koppelen aan een element in de omgeving of een bepaalde handeling: de mens is niet de enige diersoort die het doet. Modern onderzoek naar bijgeloofsrituelen begon in de jaren veertig van de vorige eeuw bij vogels. Duiven, om precies te zijn. De Amerikaanse psycholoog B. F. Skinner stopte hongerige duiven in kooien die waren voorzien van mechanische luikjes waar elke vijftien seconden een lekkernij uit kwam. In zijn beroemde artikel uit 1948, ‘‘Superstition’ in the pigeon’, beschreef Skinner hoe zes van de acht duiven na een tijdje repetitief gedrag gingen vertonen. De een ging rondjes draaien om zijn as, de volgende dook met zijn kopje een hoekje in en twee vogels bewogen hun kop op en neer en deden er een soort danspasjes bij. Volgens Skinner deden de vogels alsof er een causaal verband was tussen hun gedrag en het aanbod van voedsel. En hoewel het onderzoek van Skinner veel kritiek kreeg van andere wetenscha’ppers, werd de gedachte dat toevallige conditionering de bron was van bijgeloof later in andere studies — ook bij mensen — bevestigd.

Prestatieverhogend
‘Zo werkt het ook bij sporters,’ zegt Mark Schuls, als sportpsycholoog verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Net als bij die duiven ontstaat bepaald gedrag bij toeval. Vervolgens nemen sporters het zekere voor het onzekere: als ik het zó doe, pakt het goed uit. En áls het dan ook goed uitpakt, is er sprake van een self-fulfilling prophecy.’
De verwachting van de positieve uitkomst zou dan je gedrag kunnen beïnvloeden, zodat de voorspelling uitkomt. In een befaamd experiment van een Keulse groep onder leiding van Lysann Damisch kreeg één groep golfspelers een bal aangereikt met de opmerking: ‘Hier is de bal. Tot nu toe is het steeds een geluksbal gebleken.’ De controlegroep kreeg alleen te horen: ‘Dit is de bal die iedereen tot nu toe heeft gebruikt’. De golfspelers met de ‘geluksbal’ speelden volgens het artikel, in 2010 gepubliceerd in Psychological Science, aanzienlijk beter dan de deelnemers in de controlegroep. In een ander experiment bleken proefpersonen beduidend beter op allerlei taakjes te scoren als ze hun geluksdubbeltje of zo mochten meebrengen. In een vergelijkbaar onderzoek met darters werd hetzelfde gerapporteerd.
Het onderzoek kreeg veel aandacht en werd talloze malen geciteerd, maar het lijkt erop alsof ook wetenschappers wat al te graag vallen voor de kracht van het bijgeloof. In de golf van replicatieonderzoeken die de psychologie overspoelt, bleek ook het onderzoek van Damisch onhoudbaar: de resultaten waren statistisch ‘te mooi om waar te zijn’, en in 2013 bleek in een groot opgezet herhalingsonderzoek niets van enig effect.
Iets dergelijks lijkt overigens op te gaan voor de ‘hot hand’ — het hardnekkige geloof onder met name basketballers dat zij meer kans op een treffer hebben nadat ze hebben raakgeschoten dan nadat ze hebben misgeschoten. Het effect, zo liet Thomas Gilovich al in 1991 zien, bestaat slechts in het hoofd van sporters en fans, maar er worden nog steeds pogingen ondernomen om het toch op de een of andere manier waar te laten zijn (Skepter 28-1).

Pareidolie
Een ander veel geopperd mechanisme voor de werkzaamheid van bijgelovige rituelen is dat repetitieve handelingen voor de wedstrijd rustgevend zijn, en daarmee de prestatie kunnen bevorderen (of, als ze mislopen, verslechteren). Dat lijkt wel uit verschillende studies naar voren te komen.
Rituelen ontstaan vooral bij onvoorspelbare en oncontroleerbare gebeurtenissen. ‘Van nature zijn mensen iets te voorzichtig,’ meent Léon van Gulik, cultuur- en godsdienstpsycholoog en promovendus aan de Universiteit van Tilburg. ‘De gedachte daarachter is better safe than sorry, of zoals wij in het Nederlands zeggen: baat het niet, het schaadt ook niet. In de geschiedenis heeft de mens een aantal cognitieve strategieën ontwikkeld die de kans om te overleven vergrootten.
Maar soms vergissen we ons en lezen we in de omgeving meer dan erin zit. Denk aan het fenomeen pareidolie: we zien vaak gezichten in voorwerpen of wolken. We zijn geprogrammeerd om gezichten te herkennen, want alleen zo konden we overleven als sociaal wezen: samen. Dat het brein zich af en toe vergist en gezichten ziet waar ze niet zijn, is blijkbaar niet zo erg: het heeft de evolutie doorstaan.’ Beter eens een patroon te veel gezien dan een te weinig.

Naderend onheil
Hoewel de gezichtentheorie niet door alle wetenschappers voor de volle honderd procent wordt aangenomen — evolutionair psycholoog Annemie Ploeger van de Universiteit van Amsterdam zei in september 2015 in de Volkskrant dat het pleit nog niet beslecht is — blijft bezwering van naderend onheil het belangrijkste motief bij rituelen. Maar ook Van Gulik wijst op de rustgevende functie van rituelen. Hij haalt daarbij een klassieke studie aan van de antropoloog Malinowski, die in de jaren twintig van de vorige eeuw de cultuur van de bewoners van de Trobriand-eilanden bestudeerde. Zij leefden van de visvangst en hun dag werd gevuld met een eindeloze stroom magische rituelen. De bouw van de boten voltrok zich daarom in een soort heilige sfeer, volop rituelen. ‘De belangrijkste les die we kunnen leren van de Trobrianders is dat magische rituelen ondersteunend kunnen werken. Je kunt je voorstellen dat zo’n gemoedstoestand tot een verhoogde concentratie leidde, waardoor de boten weer veiliger werden. In een situatie vol onzekerheid zorgen rituelen en repetitieve handelingen voor rust. Tenzij de handelingen zoveel tijd gaan kosten dat het gewone leven erdoor beïnvloed wordt: dan is er sprake van obsessief-compulsief gedrag.’

Mentale flow
Bij sporters is dat gevaar zeker aanwezig, zegt psychiater, hoogleraar en filosoof Damiaan Denys, werkzaam in het Amsterdamse AMC. Zijn onderzoek richt zich op de psychopathologie van angst en dwangstoornissen. En ook hierin is de mens niet uniek, zegt hij. ‘Honden die voortdurend achter hun eigen staart aan jagen, kippen die hun veren uittrekken: het is allemaal repetitief gedrag dat bedoeld is rust te brengen en controle te verwerven.’
Meestal is dat onschuldig: een basketbalspeler die precies zes keer de bal stuitert voordat hij een vrije worp neemt, doet dat om in de juiste mentale flow te raken. Het wordt anders als het gedrag voor of na de onzekere situatie moet plaatsvinden: dat is dwangmatig omdat degene die de handeling uitvoert anders het gevoel heeft dat de handeling niet ‘compleet’ is. En dat kan ver gaan: de tennisser Rafael Nadal heeft zoveel rituelen dat ze bijna niet meer bij te houden zijn. De schattingen lopen uiteen, maar de Spaanse toptennisser zou zo’n twaalf voorbereidende rituelen hebben en ongeveer twintig op de baan zelf. Zo trekt hij zijn sokken altijd precies gelijk op als hij gaat staan en zet hij altijd twee flesjes drinken — sportdrank en water — naast zijn stoel met het etiket richting zijn baseline. Bij iedere baanwissel neemt hij uit beide flesjes een slokje. Ook stapt hij altijd met zijn rechtervoet over de witte streep (nooit erop), plukt hij voortdurend aan zijn achterste en trekt hij zijn jasje uit terwijl hij op en neer springt.

Verslaving
Wanneer is zulk gedrag nou onschuldig en wanneer wordt het pathologisch? Denys zegt dat er een paar criteria zijn voor je kunt spreken van een ziektebeeld: ‘Het wordt problematisch als de handelingen meer dan een uur per dag in beslag nemen, als je er zelf onder lijdt of als je niet meer goed je dagelijkse activiteiten kunt uitvoeren.’ Nadal zelf ontkent dat er sprake is van een  obsessief-compulsieve stoornis, maar Denys gelooft dat niet op voorhand: ‘Nadal zegt zelf dat de rituelen zijn zintuigen scherpen. Maar als je afhankelijk van die rituelen wordt, als je er niet mee kunt stoppen, dan kunnen we toch wel spreken van ziekelijk gedrag. Bij Nadal lijkt het uitvoeren van rituelen op een verslaving: hij heeft steeds meer nodig om hetzelfde effect te bereiken. Ik denk eigenlijk dat hij nog beter zou spelen als hij van die rituelen af zou kunnen komen.’

Anale fase
Ook Denys haast zich om te zeggen dat rituelen niet heel vreemd zijn. In de kindertijd doen we het allemaal. Vaak begint het bij bedrituelen: mama moet het kind zes kusjes geven voor het licht uit gaat, bijvoorbeeld. ‘Freud noemde die periode de anale fase’, zegt Denys. ‘Kinderen krijgen dan de behoefte om de wereld te structureren. Ook het poepen op een potje hoort daarbij: kinderen maken kennis met allerlei regeltjes: hij moet erin en niet ernaast, dat soort dingen. Het gaat gepaard met de biologische rijping van de prefrontale cortex, het gebied in de hersenen dat verantwoordelijkheid is voor ordenen en plannen, vooruitdenken. En voor controle over de werkelijkheid. Pas als we achttien of negentien jaar zijn, is de prefrontale cortex volgroeid.’
Bij dwanggedachten is er wat anders aan de hand: wetenschappers denken dat er dan iets niet goed loopt in het ‘corticostriataal circuit’ in de hersenen. In dit circuit, een terugkoppelingslus, slaat de continue stroom informatie als het ware op hol, aldus Denys. Ongeveer de helft van de mensen lukt het zich van dwanggedachten te bevrijden met cognitieve gedragstherapie. ‘Maar bij sporters is de kans dat het werkt kleiner,’ zegt Denys, ‘want die denken dat het gedrag hun prestaties echt positief beïnvloedt. Dat maakt het een stuk lastiger.’

Bevestigingsvooroordeel
En dat is precies de reden dat het twijfelachtig is dat Rafael Nadal en andere topsporters ooit van hun rituelen bevrijd worden: het geloof in illusoire correlaties is nogal hardnekkig. Matthew Hutson, de wetenschapsjournalist die het voorval met de vissers en de zalmen in Alaska noemde, wijst er ook al op: mensen hebben last van het zogenaamde bevestigingsvooroordeel. Als we eenmaal een mening hebben, is die nog maar moeilijk te veranderen. Sterker: we zijn zelfs bereid om bewijs dat onze hypothese ontkracht selectief te laten verdwijnen. Hutson haalt alleen niet een heel sterk voorbeeld aan. Hij noemt een onderzoek waarin proefpersonen wetenschappelijke bevindingen moesten lezen die het bestaan van buitenzintuiglijke waarnemingen ondersteunden of juist ontkrachtten. Het merendeel van de mensen die meededen aan het onderzoek onthield de informatie correct. Proefpersonen die in buitenzintuigelijke waarneming geloofden en die net hadden gelezen dat daar geen wetenschappelijk bewijs voor was, bleken zich de informatie echter minder te herinneren.
Hutson is zelf erg tevreden over dit voorbeeld — maar hij lijkt in zijn enthousiasme toch weer iets snel. Misschien hebben mensen die in buitenzintuiglijke waarnemingen geloven, wel een slechter functionerend geheugen, of een minder goed ontwikkelde prefrontale cortex, of een lager IQ. Is hier sprake van confirmation bias, zoals Hutson meent, of is er wat anders aan de hand?
Correlaties interpreteren blijft lastige materie, of je nu Rafael Nadal bent of, bijvoorbeeld, journalist voor een tijdschrift als Men’s Fitness. Die besloot zijn verhaal over alle bijgelovigheden van de Spaanse tennisser: ‘If you’re not this neurotic, that’s why you’ve never made it to the Wimbledon Final.’

Dit artikel verscheen eind juni 2016 in Skepter 29.2 (©). Meer informatie over dit tijdschrijft vindt u op de website van Stichting Skepsis.