Het werkveld van dierenartsen verbreedde zich van stal tot spreekkamer, van vleeskeuring tot pandemiepreventie. Nu het besef groeit dat humane, veterinaire en planetaire gezondheid hand in hand gaan, klinkt de roep om structurele samenwerking luider dan ooit.
In de late achttiende eeuw viel de Britse arts Edward Jenner iets op. Melkmeisjes die koeienpokken hadden doorgemaakt, bleken immuun voor de menselijke variant van de ziekte. Zijn observatie leidde tot een van de belangrijkste medische doorbraken ooit: vaccinatie. De sleutel lag in een dierlijke infectie, gecombineerd met het vermogen een brug te slaan tussen soorten.
Kruisbestuivingen
De geschiedenis laat tal van dergelijke kruisbestuivingen zien. In de negentiende eeuw experimenteerden dierenartsen met ether en chloroform bij paarden en runderen van soms meer dan 600 kilo. Ze probeerden doseringen van anesthetica af te stemmen op lichaamsgewicht en diersoort en observeerden ademhaling, reflexen en slijmvliezen met het blote oog. Zulke ervaringen leverden praktisch inzicht op in het veilig toedienen van narcose, dat ook zijn weg vond naar de humane praktijk.1
Zo zijn er meer voorbeelden. In de vroege dagen van de radiologie speelde de diergeneeskunde een verrassend vroege rol. In 1896, nog geen vijf maanden na de ontdekking van de röntgenstraling door Wilhelm Röntgen, slaagde de Duitse dierenarts Carl Troester erin om met een zelfgebouwd apparaat röntgenfoto’s te maken van een levend paard. Het waren de eerste veterinaire röntgenopnamen uit de geschiedenis, op een moment dat de techniek ook in de humane geneeskunde nog volop in ontwikkeling was.2
Gelijkwaardige professionals
De vroege epidemiologie ontwikkelde zich deels vanuit veterinaire geneeskunde. Tijdens uitbraken van veeziekten leerden artsen over besmettingsroutes die later cruciaal waren bij humane epidemieën. Met name de runderpest bood dierenartsen in de negentiende eeuw een ongekende kans om zich te profileren als medische pioniers.3 Bij uitbraken van deze dodelijke virusziekte waren zij het die ter plekke onderzoek deden, transmissieroutes in kaart brachten en maatregelen adviseerden.In hun werk kwamen sectie, veldobservatie en statistiek samen: een vroege vorm van epidemiologie. De aanpak bij runderpest legde de basis voor wat later de populatiegeneeskunde zou worden, in zowel de veterinaire als humane gezondheidszorg.Kortom: dierenartsen waren de eersten die op populatieniveau dachten en werkten.
‘Het woord dierenarts bestond toen nog niet eens’, zegt Peter Koolmees, emeritus bijzonder hoogleraar Diergeneeskunde in Historische en Maatschappelijke Context aan de faculteiten Geesteswetenschappen en Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht. Hij schreef samen met Susan Jones, Amerikaanse hoogleraar veterinaire geschiedenis aan de Universiteit van Minnesota, het boek A concise history of veterinary medicine, een Engelstalig overzichtswerk over de geschiedenis van de veterinaire geneeskunde.4 Ook publiceerde hij het boek ‘Tussen mens, dier en samenleving – Korte geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (1862-2012).5
‘Tot ver in de twintigste eeuw spraken we van veeartsen. Wie in Utrecht had gestudeerd, noemde zich trots Rijksveearts, om zich te onderscheiden van de vele lokale veeartsen zonder formele opleiding. Pas toen het werkveld zich verbreedde – met vleeskeuring, volksgezondheid en uiteindelijk ook gezelschapsdieren – ontstond de behoefte aan een verandering van de namen veeartsenijkunde en veerts. Dierenarts dus. Maar dat was een lange weg.’
Honger naar erkenning
Toch was het lange tijd niet vanzelfsprekend dat dierenartsen als gelijkwaardige medische professionals werden gezien. ‘Dierenartsen hadden vroeger nog weleens een minderwaardigheidscomplex, een beetje zoals tandartsen dat ook hadden tegenover hun grote broertje in de humane geneeskunde’, zegt Peter Koolmees. Dat is nu echt aan het veranderen, vertelt hij: ‘De jonge generatie staat veel zelfbewuster in het vak. Ook vanuit de humane geneeskunde is er inmiddels veel meer waardering voor wat dierenartsen kunnen.’
Volgens Koolmees speelt daarin mee dat diergeneeskunde zichzelf steviger is gaan positioneren. ‘Die beroepsafbakening, het belang dat dierenartsen hechten aan hun eigen rol: dat is gegroeid. En ook internationaal was er honger naar erkenning, zeker binnen het hele One Health-verhaal. De coronapandemie gaf dat een extra impuls. ‘Sinds COVID weet nu iedereen wat zoönosen zijn. Opeens was de rol van de dierenarts zichtbaar. Niet dat die rol nieuw was, maar voor het grote publiek – en ook voor de politiek – werd ineens duidelijk: we moeten ook met veterinaire experts om tafel.’4
Nooit vanzelfsprekend
Hoe de veterinaire geneeskunde zich vervolgens ontwikkelde, beschrijft wetenschapshistoricus Floor Haalboom. Zij onderzoekt al jaren hoe de rol van dierenartsen samenhangt met bredere maatschappelijke thema’s zoals volksgezondheid, voedselproductie en dierenwelzijn.6 Daardoor weet ze dat de langbevochten maatschappelijke positionering van dierenartsen nooit vanzelfsprekend is geweest. Zeker in de tweede helft van de twintigste eeuw ontstond er weerstand tegen de steeds nauwere vervlechting van diergeneeskunde en agro-industrie. ‘In de jaren zestig werden daar voor het eerst fundamentele vragen bij gesteld, ook door dierenartsen’, vertelt Haalboom. ‘Wat doet dit met de dieren? Is dit wel wenselijk?’
Opvallend genoeg waren het juist veel hoogopgeleide vrouwen die die vragen luid en publiekelijk durfden te stellen: van farmaceutisch specialisten tot politieke pioniers. ‘Neem apotheker Lucie Vuyltsteke, Eerste Kamerlid voor de Katholieke Volkspartij. Zij sprak zich al vroeg uit tegen het grootschalige antibioticagebruik in de veehouderij, en verwees daarbij nadrukkelijk naar Cornelia van Arkel, hoogleraar farmaceutische scheikunde aan de Universiteit van Amsterdam. Ook bracht ze standpunten naar voren van internationale schrijvers als biologe Rachel Carson en dierenactiviste Ruth Harrison.’
Hun kritiek werd niet altijd serieus genomen. ‘Er werd vaak lacherig over gedaan’, zegt Haalboom. ‘Zulke argumenten zouden zogenaamd emotioneel, hysterisch of onwetenschappelijk zijn, en daarmee typisch vrouwelijk. Die framing was gendered én strategisch. De belangen waren groot.’ Waarom juist vrouwen dat morele tegengeluid lieten horen? ‘Misschien omdat zij al een lastig bevochten plek hadden binnen het veld. Dat gaf hen net iets meer vrijheid om als buitenstaander kritische vragen te stellen.’ Het is een onderwerp dat nog steeds gevoelig ligt in het werkveld, zeker met de komst van nieuwe organisaties als Caring Vets – en in het verlengde daarvan bij de humane geneeskunde de Caring Doctors en bij boeren: de Caring Farmers.
Politieke framing
Ook tijdens de Q-koortsuitbraak – lang vóór COVID – werd duidelijk hoezeer veterinaire en humane gezondheid verweven zijn. Maar volgens Haalboom is het heersende idee dat de Q-koortsuitbraak vooral mis liep door gebrekkige samenwerking tussen artsen en dierenartsen niet alleen simplistisch, maar ronduit misleidend. ‘Die framing is politiek handig, omdat ze de aandacht afleidt van de werkelijke vraag: hoe zijn de domeinen landbouw en volksgezondheid georganiseerd en in wiens belang?’
Volgens haar ligt de kern van het probleem niet bij dierenartsen en mensendokters die beter zouden moeten overleggen, maar bij politieke keuzes die de volksgezondheid ondergeschikt maken aan economische belangen. ‘Preventie en pandemic preparedness zijn mooie woorden, maar worden zodra het even kan wegbezuinigd. Intussen houden we een systeem van grootschalige, geïndustrialiseerde veehouderij in stand, waarin de risico’s op uitbraken structureel zijn ingebouwd.’
Juist daarom is interdisciplinaire samenwerking tussen dierenartsen, van rundveedeskundige tot kattendierenarts, van groot belang. Haalboom: ‘Gezondheidsproblemen die samenhangen met milieuvervuiling of industriële productie worden pas zichtbaar als je verschillende soorten bewijs uit meerdere disciplines combineert. Statistische gegevens, mechanistische inzichten, klinische ervaring: dat is allemaal nodig om het hele plaatje te begrijpen. Alleen dan kun je beleid maken dat de gezondheid van mens én dier werkelijk beschermt.’
Oog voor context
De beroepsgroep spant zich daar sterk voor in, vertelt Sophie Deleu, voorzitter van de KNMvD. ‘De geschiedenis laat zien dat veterinaire en humane geneeskunde altijd al samen hebben opgetrokken. Sinds de coronapandemie beseffen mensen nog beter hoe waardevol het is om ook de dierenarts bij gezondheidsvraagstukken te betrekken. Uitbraken van zoönosen laten zien dat dierenartsen niet alleen een helicopterview hebben op het niveau van populatiegezondheid, maar ook snel kunnen schakelen in nieuwe situaties of bij onverwachte gebeurtenissen.’
Deleu geeft een recent voorbeeld dat dit zichtbaar maakt: de opvang van Oekraïense vluchtelingen. ‘Er kwamen veel huisdieren mee uit gebieden waar rabiës voorkomt. Er werd snel budget vrijgemaakt voor eerste zorg en vaccinatie. Dierenartsen hoefden nauwelijks uitleg: iedereen wist wat er moest gebeuren.’
Ook buiten crisistijd dragen dierenartsen structureel bij aan volksgezondheid, vaak onopvallend. ‘Dat het vlees in de supermarkt veilig is, vinden mensen vanzelfsprekend. Maar daar gaat enorm veel veterinaire controle aan vooraf. Preventie is onzichtbaar werk, tót het misgaat. En dan is het vaak te laat.’
De maatschappelijke rol van de dierenarts maakt het beroep ook complex. De dierenarts navigeert, medieert en treedt pragmatisch op. In de praktijk betekent dat voortdurend laveren tussen verschillende belangen, vertelt Deleu. ‘Ik zit zelf in een appgroep over een wolf bij Zeist. Daar geldt een aanlijnplicht voor honden, om de wolf te beschermen én natuurlijk de honden zelf. Toch zijn veel baasjes boos dat ze hun hond niet meer los mogen laten, en dan komt er weer een hele tegenbeweging op gang met deskundigen die stellen dat honden vrije bewegingsruimte nodig hebben. Dan moet je dat weer afwegen tegen het belang van de wolf. Zulke kwesties zijn complex. En als dierenarts moet je in al die domeinen kunnen meedenken om tot verstandige beslissingen te komen.’
Hetzelfde geldt overigens voor dierenartsen die zich uitsluitend met de zorg voor gezelschapsdieren bezighouden, zegt ze. ‘Als dierenarts denk je automatisch na over wat een eigenaar kan betalen, of een advies wel haalbaar is. Oog hebben voor de sociale context is voor dierenartsen een vanzelfsprekendheid. Dat zie je in de humane geneeskunde pas de laatste tijd opkomen.’
Het dier centraal
Toch ziet Deleu ook risico’s voor de toekomst van het vak, juist in het spanningsveld tussen veterinaire en humane geneeskunde. Een recente ontwikkeling is het antromofisme, zegt ze: de vermenselijking van dieren.7 ‘Met name gezelschapsdieren worden steeds meer gezien als een volwaardig gezinslid. Dat is goed nieuws voor de diergeneeskunde, zou je op het eerste gezicht kunnen concluderen. De vraag naar meer diergeneeskundige zorg biedt immers grotere mogelijkheden voor ontwikkeling en innovatie, of het nu gaat om voeding of oncologie. Toch zijn al die nieuwe behandelmogelijkheden niet per se in het belang van het dier. En zéker niet voor iedereen betaalbaar.’
Ze waarschuwt voor een zorgmodel dat doorschiet in medicalisering en ongelijkheid, waarin diergeneeskundige zorg alleen iets wordt voor de happy few. ‘We moeten niet vergeten dat diergeneeskunde een andere logica kent: één waarin belangen worden afgewogen en het welzijn van het dier centraal staat, niet automatisch de hoogst haalbare behandeling. Want ook in de humane geneeskunde zijn er nu discussies over grenzen aan de zorg. Laten we goed blijven kijken naar dierwaardigheid.’
Ook op systeemniveau is dat een belangrijke les, benadrukt ze. ‘In de veehouderij zie je dat de druk op efficiëntie, bijvoorbeeld vanuit duurzaamheidsoverwegingen, ten koste kan gaan van dierwaardigheid. Dieren moeten steeds sneller groeien, met zo min mogelijk voer en ruimte. Dat is efficiënt, maar niet per se in hun belang.’ Ze waarschuwt voor een schrikbeeld dat zomaar realiteit zou kunnen worden: megastallen op industrieterreinen. ‘Omdat dieren niet meer in een rurale omgeving zouden mogen worden gehouden vanwege zoönoserisico’s. Maar zo’n toekomstbeeld wil niemand.’
Volgens Deleu draait het er uiteindelijk om dat dierenartsen oog houden voor het geheel. ‘Je kunt niet één aspect eruit pikken en zeggen: dát is goed. Het gaat om de samenhang, om het afwegen van belangen, steeds opnieuw. En om het niet uit het oog verliezen van wat we als beroepsgroep echt belangrijk vinden: het dier centraal stellen, in alles wat we doen.’
Noten:
1 Jones RS. A history of veterinary anaesthesia. An vet (Murcia). 2002;18:7–15.
2 Kast, Alexander (2002): Carl Troester, 1880-83 als Roßarzt in Tokyo. In: Berliner Münchener Tierärztliche Wochenschrift, Bd. 115, 5./6. Heft, 207 208.
3 Roeder P, Mariner J, Kock R. Rinderpest: the veterinary perspective on eradication. Philos Trans R Soc Lond B Biol Sci. 2013 Jun 24;368(1623):20120139. doi: 10.1098/rstb.2012.0139. PMID: 23798687; PMCID: PMC3720037.
4 Jones, S. D., & Koolmees, P. (2022). A Concise History of Veterinary Medicine. (New Approaches to the History of Science and Medicine). Cambridge University Press. https://doi.org/10.1017/9781108354929
5 Koolmees, P. A. (2013). Tussen mens, dier en samenleving. Korte geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Maatschappij voor Diergeneeskunde (1862-2012)
6 Haalboom, A. (2017). Negotiating zoonoses: Dealings with infectious diseases shared by humans and livestock in the Netherlands (1898–2001). Utrecht, The Netherlands: Utrecht University.
7 Zie ook: Deleu, S. Van de voorzitter: Gepast antropomorfisme in de praktijk. https://www.knmvd.nl/gepast-antropomorfisme-in-de-praktijk/
Dit artikel werd ook gepubliceerd in het jubileumnummer 2025 van het Tijdschrift voor Diergeneeskunde, dat de 150e jaargang van dit vaktijdschrift vierde. Het copyright ligt bij de auteur.
Waardeer dit artikel!
Als je dit artikel waardeert en je waardering wilt laten blijken met een kleine bijdrage: dat kan! Met een grotere bijdrage steun je me nog veel meer. Zo help je onafhankelijke journalistiek in stand houden.